unité six

123456789101112131415
Across
  1. 3. een fietser
  2. 6. het is niet erg
  3. 8. ik voel me niet goed
  4. 10. daar, ginds
  5. 12. roepen
  6. 13. vertragen
  7. 14. wat is er?
  8. 15. waarom dan?
Down
  1. 1. doet je genoeg aan sport?
  2. 2. thuiskomen, terugkeren
  3. 4. ik ben bang
  4. 5. een wiel
  5. 7. bras = ik heb pijn aan mijn arm
  6. 9. erg
  7. 11. te, te veel