vakantie

12345678
Across
  1. 1. hier ga je naartoe als je op vakantie bent je kan erin zwemmen.
  2. 2. dit gebruik je om aan te doen als je gaat zwemmen.
  3. 4. dit eet jij als het warm is en het smelt snel.
  4. 5. hier ga je naartoe om te eten.
  5. 7. dit gebruik je voor jouw kleren in te steken.
  6. 8. hier ga je mee op vakantie en het vliegt.
Down
  1. 1. dit gebruik je om onder water te kijken.
  2. 2. hier ga je in als je niet wil zwemmen in de zee.
  3. 3. dit gebruik je om buiten vlees te bakken.
  4. 6. hier ga je slapen als je op vakantie gaat.