verbos irregulares 1-6
Across
- 1. zij zijn
- 2. ik weet
- 6. wij hebben
- 8. ik wil
- 11. jullie vinden
- 12. hij heeft
- 15. hij vindt
- 16. jullie kunnen
- 17. zij denkt
- 18. ik ben
- 19. hij is (hij bevindt zich)
Down
- 1. ik ga weg; ik ga naar buiten
- 2. jij weet
- 3. jij kunt, jij mag
- 4. wij denken
- 5. zij gaan terug
- 7. jullie gaan weg; jullie gaan naar buiten
- 9. wij gaan terug
- 10. wij willen liever
- 11. jij bent (je bevindt je)
- 12. jullie hebben
- 13. wij willen
- 14. zij willen liever