Vocabulaire unité 1: apprendre 1, 2, 5, 6
Across
- 3. De oceaan
- 4. Jij hebt
- 6. Het probleem
- 9. Dat is
- 11. Aardig
- 12. Ik ben
- 13. Met
- 15. Voor
- 16. Goed idee
- 18. Zij zijn
- 21. We gaan naar binnen
- 22. Naar
Down
- 1. Veel succes
- 2. De klas
- 5. Welkom
- 7. Hoe
- 8. De tas
- 10. Goed
- 14. Ik ga naar huis
- 17. In
- 19. Daar is
- 20. Dank je