Vul aan met de juiste werkwoordvorm
Across
- 4. Iets verder glijden de man uit over afgevallen herfstbladeren.
- 7. Opa neemt zijn gsm en
- 8. Hij wachten op oma om te eten.
- 9. Thuis kleden hij zich om en
- 10. Ze (enkelv) sturen een ziekenwagen.
- 11. telefoneren naar de 100.
- 12. Hij vermijden wel de drukke autowegen.
- 18. vervolgen opa zijn weg.
- 20. zetten koffie.
- 21. Wanneer die aankomen,
- 22. Hij nemen dan maar een binnenweg naar huis.
- 24. maar de wind waaien hard
- 25. Hij vinden het prachtig weer.
- 26. doen zich erg pijn.
Down
- 1. Iemand steken opa vlug voorbij.
- 2. kunnen niet recht staan.
- 3. De zon schijnen
- 5. Een vrouw antwoorden.
- 6. Hij vallen en
- 12. Hij vermoeden dat het al laat is.
- 13. Het zijn een herfstdag
- 14. Mijn opa fietsen
- 15. Hij dragen geen helm en
- 16. Hij kijken op zijn uurwerk, maar dat
- 17. Hij bloeden aan zijn hoofd.
- 19. staan stil.
- 23. Mijn opa rijden 's morgens vroeg weg.