week 26

12345678910111213141516
Across
  1. 1. vastmaken
  2. 7. waar je in kunt wonen of werken
  3. 10. zoals het meestal is of gedaan wordt
  4. 11. spullen kopen en verkopen om geld te verdienen
  5. 14. in de toekomst
  6. 15. vorig
  7. 16. tekst die in steen gebeiteld is
Down
  1. 2. groot van opzet
  2. 3. tegenwoordig
  3. 4. nogal
  4. 5. de groep gebouwen die bij elkaar hoort
  5. 6. heel bijzonder
  6. 8. ergens uithalen
  7. 9. klein van opzet
  8. 12. bijna niet
  9. 13. wat vast zat weer los doen worden