Week 3

12345678910111213141516
Across
  1. 2. om problemen te voorkomen
  2. 8. nadat iets afgelopen is
  3. 10. Er geen aandacht aan besteden
  4. 12. gevaar lopen
  5. 13. goed opletten
  6. 14. stuk gaan omdat het niet sterk genoeg is
  7. 16. leegmaken van een huis of ander gebouw
Down
  1. 1. veilig zijn
  2. 3. rustig afwachten
  3. 4. ergens tegen kunnen
  4. 5. niet beschadigen, heel blijven
  5. 6. vooral
  6. 7. onvoldoende beschermd tegen, gevoelig voor
  7. 9. alleen
  8. 11. omgaan met
  9. 15. duidelijk maken