week 33

12345678910111213141516171819
Across
  1. 2. Woordjes die je schrijven moet.
  2. 4. Als je het er niet mee eens bent.
  3. 9. Hierin staan de paarden droog.
  4. 11. Ligt op het plein.
  5. 13. Waarmee?
  6. 14. Deze vis kan schrijven.
  7. 15. Iemand die je eten brengt.
  8. 17. Gegraven rivier.
  9. 18. Iemand die studeert.
Down
  1. 1. Hangt aan een muur.
  2. 3. Daar is een ketting van gemaakt.
  3. 5. Deze jas heb je aan bij koude zomerdagen.
  4. 6. Waarmee?
  5. 7. Hiermee kun je kleuren.
  6. 8. Kun je mee spelen in de sneeuw.
  7. 10. Deze kun je vinden in de school.
  8. 12. Niet duur.
  9. 15. Als je iets netjes vraagt.
  10. 16. Als je iets weet dan ben je je daarvan ...
  11. 19. Warme drank.