Week 40 A

123456789
Across
  1. 2. de plek waar je woont of bent
  2. 3. duidelijk worden
  3. 6. in de tijd van
  4. 8. als iemand zegt dat je iets mag doen
  5. 9. niet bij andere mensen, dieren of dingen
Down
  1. 1. uitrusten
  2. 4. grote spullen ergens inzetten om ze te verplaatsen
  3. 5. de groep mensen die samen iets doen
  4. 7. in elke, op elke