Werkwoordspelling

12345678910
Across
  1. 1. Ik _____ van de trap (vallen)
  2. 2. Ik ________ 10 euro voor jouw shirt (bieden)
  3. 5. Hij _____ de schat (vinden)
  4. 7. Wij ______ iedere avond pizza (eten)
  5. 8. De hoogspringer ____ een nieuw record (springen)
  6. 10. _________ de baby door de kamer? (kruipen)
Down
  1. 1. De wesp ______ in het rond (vliegen)
  2. 3. Wij _____ naar school (lopen)
  3. 4. Hij ___________ de muur (verven)
  4. 6. Jij _______ het allermooist (dansen)
  5. 9. Ik _____ super hard (rennen)