Winkelen

12345678910111213141516171819202122
Across
  1. 3. gebruiken tot
  2. 5. Een winkel die zich gespecialiseerd heeft in één of meerdere producten.
  3. 8. Een briefje waar je boodschappen op staan.
  4. 12. Verkoop via het internet.
  5. 15. In deze folder staat reclame over de winkel.
  6. 17. Voor nieuwe kleren moet ik naar de ....
  7. 18. Iemand die goederen of diensten koopt zonder dit te willen verkopen of verwerken voor verkoop. Down
  8. 20. Ik ga een reis boeken in het reisbureau.
  9. 21. Op deze kaart verzamel ik punten.
  10. 22. gewicht zonder verpakking
Down
  1. 1. In de supermarkt worden de producten gerangschikt per .....
  2. 2. Ik betaal contant dus ik betaal ...
  3. 4. Deze trucs past de winkel toe.
  4. 6. Hier kan ik mijn boodschappen in doen.
  5. 7. Een bedrijf dat goederen verkoopt op afstand.
  6. 8. In de .... koop ik mijn brood.
  7. 9. Ik ga naar de .... om gehakt te kopen.
  8. 10. Het merk van de supermarkt.
  9. 11. Een groot aantal winkels bij elkaar in één (soms overdekte) ruimte.
  10. 13. Voor kaas moet ik bij de ..... zijn.
  11. 14. Daar heb ik mijn bril gekocht.
  12. 16. Daar ga ik drank kopen.
  13. 19. Bedrijf of persoon die produceert, goederen of diensten koopt om te verkopen of te verwerken voor verkoop.