Woorden 4.5

123456789101112131415161718
Across
  1. 6. De persoon die moet zorgen dat iets goed gebeurt.
  2. 9. De gevoelens of stemming op een bepaalde plek.
  3. 13. Het zelf beginnen met iets, zonder dat iemand het vraagt.
  4. 15. Goed en serieus werken, met kennis en ervaring.
  5. 17. Netjes en geschikt om te laten zien aan anderen.
Down
  1. 1. Een houten of stenen afscheiding tussen tuinen.
  2. 2. Een stuk water in de tuin of natuur, kleiner dan een meer.
  3. 3. De manier waarop iemand staat, zit of zich gedraagt.
  4. 4. Taken of klussen die gedaan moeten worden.
  5. 5. Iemand die tuinen maakt en onderhoudt.
  6. 7. Iets ergens neerzetten of vastmaken.
  7. 8. Het verbeteren of vernieuwen van een oud gebouw.
  8. 9. Een periode van het jaar met bepaald weer, zoals zomer of winter.
  9. 10. Vrije tijd van werk, bijvoorbeeld vakantie.
  10. 11. Iets in de grond zetten zodat het kan groeien.
  11. 12. Zonder nut of doel.
  12. 14. Een informeel moment waarop mensen samen iets drinken.
  13. 16. Iets nieuw maken of bouwen, bijvoorbeeld een tuin of weg.
  14. 18. Iets wat verplicht is of moet gebeuren.