Woorden 5.1
Across
- 1. – Heel dichtbij. Niet ver.
- 6. – Een plek buiten aan een huis of appartement. Je kunt er zitten.
- 7. – De kamer waar je slaapt.
- 8. – Een plek buiten bij een huis. Je kunt er zitten, spelen of planten hebben.
- 10. – De plek in huis waar je naar het toilet gaat.
- 13. – Van jou.
- 14. – Een vader en/of moeder met hun kind of kinderen.
- 15. – Iemand die in hetzelfde huis woont als jij.
- 18. – Het midden van een stad of dorp. Hier zijn vaak winkels.
- 19. – Een huis dat niet vastzit aan andere huizen.
- 20. – Mensen zoals je ouders, broer, oma en opa.
Down
- 2. – Een woning in een gebouw met meerdere woningen. Je hebt je eigen kamers.
- 3. – De kamer in huis waar je doucht of in bad gaat.
- 4. – Dingen die je wilt weten of die iemand je vertelt.
- 5. – Iets nemen of doen omdat je het nodig hebt.
- 6. – Geld geven voor iets.
- 9. – Iets samen gebruiken met iemand anders.
- 10. – Een boot waarin mensen wonen.
- 11. – Een laag in een gebouw. Bijvoorbeeld: een huis heeft twee ......
- 12. – Niet laag. Bijvoorbeeld: een flat is.....
- 16. – Geld dat je elke maand betaalt om in een huis te wonen.
- 17. – De huizen staan naast elkaar in een rij.