Woorden chapitre 4
Across
- 2. Ik ga naar school ... Jij met de fiets?
- 3. Mijn opa kon altijd mooie verhalen ....
- 5. Hiermee Whatsapp je.
- 6. Dit klusje moet je thuis doen.
- 8. Hier voetballen leerlingen vaak tijdens de pauze.
- 9. Voor een toets, moet je dit goed doen.
- 12. Die leraar geeft snel straf. Hij is ...
- 14. Het tegenovergestelde van nooit
- 15. Je zit nu bij dit vak in de les!
- 16. Dit is een plaats vlakbij Nijmegen en betekent in het Frans 'langzaam'
- 17. Een giftige slang? Dat is ...
Down
- 1. Wil je mij het cadeau ...?
- 2. Ben je te vroeg? Nee, ...
- 4. Wanneer is deze .... voorbij? Jammer, deze ... is leuk!
- 5. Dit vak lijkt op kunst.
- 6. Op welke school zit jij nu?
- 7. Het tegenovergestelde van makkelijk.
- 8. Een vak met cijfers
- 10. Kun je de schat met behulp van de schatkaart ...?
- 11. Liggen twee bananen naast elkaar in bed, zegt de één tegen de ander: Ga eens recht liggen!
- 13. Hierop schrijf je je antwoorden voor een toets.