Woorden groep 5 thema 1 week 2

1234567891011
Across
  1. 3. Langzaam rijden, je gaat niet veel harder dan iemand die loopt
  2. 5. Daarna
  3. 8. Toevallig ergens terechtkomen
  4. 10. Hiermee vervoer je mensen of dingen. Bijvoorbeeld een auto, brommer of fiets
  5. 11. Iemand die op de weg rijdt of loopt
Down
  1. 1. Een auto die je gebruikt om spullen mee te vervoeren
  2. 2. Heel snel, bliksemsnel
  3. 4. Een vrachtwagen
  4. 6. Als je de motor van de auto harder laat werken. Je kunt harder rijden.
  5. 7. Een voertuig dat wordt getrokken door paarden
  6. 9. Maar