Woorden met een -d of een -t

12345678910111213141516
Across
  1. 3. In een zin staan meerdere ........
  2. 5. Praten en eten doe je met je ........
  3. 6. Deze persoon fluit een voetbalwedstrijd
  4. 9. De ridder vecht met een .........
  5. 12. Snoep is .........
  6. 14. Als je ziek bent ga je naar de dokter of de ...........
  7. 15. Hier kun je de weg op zoeken als je hem kwijt bent.
  8. 16. Op het strand ligt dit ...... (het zijn allemaal kleine korreltjes)
Down
  1. 1. 's Morgens lees je het nieuws in de krant.
  2. 2. Een huisje in de tuin waar je huisdier in kan slapen (tip hij maakt woef geluid)
  3. 4. Het kasteel loop je binnen door een ......
  4. 7. Je poetst hiermee de "dingen" in je mond.
  5. 8. Met de verjaardag eet je vaak een .......
  6. 10. Dat is niet een kikker, maar een .......
  7. 11. Lopen die je niet op je handen maar op je ........
  8. 13. Dit pompt het bloed door je lichaam.