Woorden met een -d of een -t
Across
- 3. In een zin staan meerdere ........
- 5. Praten en eten doe je met je ........
- 6. Deze persoon fluit een voetbalwedstrijd
- 9. De ridder vecht met een .........
- 12. Snoep is .........
- 14. Als je ziek bent ga je naar de dokter of de ...........
- 15. Hier kun je de weg op zoeken als je hem kwijt bent.
- 16. Op het strand ligt dit ...... (het zijn allemaal kleine korreltjes)
Down
- 1. 's Morgens lees je het nieuws in de krant.
- 2. Een huisje in de tuin waar je huisdier in kan slapen (tip hij maakt woef geluid)
- 4. Het kasteel loop je binnen door een ......
- 7. Je poetst hiermee de "dingen" in je mond.
- 8. Met de verjaardag eet je vaak een .......
- 10. Dat is niet een kikker, maar een .......
- 11. Lopen die je niet op je handen maar op je ........
- 13. Dit pompt het bloed door je lichaam.