Woorden thema 7: intro, 7.1 en 7.2

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233
Across
  1. 4. – iets nodig hebben van iemand of iets anders.
  2. 5. – in ieder geval; niet minder dan.
  3. 6. – iets gereed maken voor gebruik.
  4. 9. – iets maken dat kapot is.
  5. 10. – ergens in zitten of onderdeel zijn van iets.
  6. 13. – iemand die bij een bedrijf of organisatie werkt.
  7. 15. – geld krijgen voor werk dat je doet.
  8. 16. – een keer in het verleden of in de toekomst.
  9. 17. – bijvoorbeeld.
  10. 21. – iets veranderen of verbeteren.
  11. 22. – daarna, de volgende stap.
  12. 23. – het kleinste aantal of de laagste hoeveelheid.
  13. 24. – een voertuig dat door de lucht vliegt.
  14. 25. – iets dat je bang of zenuwachtig maakt.
  15. 26. –dat iets soepel, makkelijk of zonder problemen verloopt, bijvoorbeeld een taal heel goed kunnen spreken.
  16. 29. – vuil weghalen zodat iets schoon wordt.
  17. 30. – hulp en verzorging die iemand thuis krijgt, bijvoorbeeld bij schoonmaken, wassen of aankleden.
  18. 32. – zorgen dat iets klaar is om te beginnen.
  19. 33. – kennis die je krijgt door iets te doen of mee te maken.
Down
  1. 1. – woorden of teksten in een andere taal zetten.
  2. 2. – op dit moment, nu.
  3. 3. – de taken en het werk dat iemand moet doen voor een baan of opdracht.
  4. 7. – iemand die machines, apparaten of installaties maakt of repareert.
  5. 8. – het bedrag dat je overhoudt nadat belasting en andere kosten zijn betaald.
  6. 11. – verschillende delen bij elkaar zetten tot één geheel.
  7. 12. – alle mensen die bij een organisatie werken.
  8. 14. – na een langere tijd of na verschillende gebeurtenissen.
  9. 18. – iemand die veel regels heeft en erop let dat ze gevolgd worden.
  10. 19. – met gesproken woorden, niet geschreven.
  11. 20. – vragen om een baan.
  12. 27. – meteen, zonder te wachten.
  13. 28. – graag willen dat iets gebeurt.
  14. 31. – vreemd of anders dan normaal.
  15. 33. – heel blij en gemotiveerd.