Woorden van Economie
Across
- 2. hulpmiddel om een consumptiegoed te maken, bijv. Machines
- 5. Diegene die het product koopt
- 8. Wat iemand voor een ander doet
- 9. Het geld dat je nog krijgt
- 10. Weg dat het product afgaat voordat het gekocht wordt
- 11. Beschrijving voor iets dat je kan zien en vastpakken
- 16. Productie waarbij veel gebruik wordt gebruik van machines
- 19. De kant van een balans die de financieringen aangeeft
- 20. Het vervangen van werknemers door machines
- 22. Diensten, handel of verkeer waarbij winst wordt gemaakt
- 24. Kolom van bedrijven waarlangs het product gaat
- 27. Sector zonder winstoogmerk, diensten als defensie, zorg en onderwijs
- 28. Goederen die opgaan, bijv. Voedsel
Down
- 1. Waarde die wordt toegevoegd doordat het product bijv. Vervoert wordt
- 3. Het vervangen van werknemers door computers of computer bestuurde machines
- 4. niet materieel
- 6. Eerste sector, het begin van de productieweg
- 7. Iemand die de dienst of het goed levert/produceert
- 12. Goederen die je meerdere keren kan gebruiken
- 13. sector waarbij de grondstoffen verwerkt worden
- 14. De kant van een balans die de investeringen aangeeft
- 15. productie waarbij veel arbeiders en weinig machines nodig zijn
- 17. Diensten of goederen waarvoor de consument betaalt
- 18. Goederen die de consument gelijk kan gebruiken
- 21. Het geld dat je onmiddellijk tot je beschikking hebt
- 23. Het geld dat je nog moet betalen
- 25. Materiaal,wat je gebruikt en waar je voor betaalt
- 26. Bedrag dat je betaalt over de toegevoegde waarde van een product