Woorden, woorden, woorden

123456789101112131415
Across
  1. 3. een goed verstaander heeft maar een (X) woord nodig (=voor een goed verstaander is een kleine aanwijzing genoeg)
  2. 5. woorden zijn geen (X) (=met praten bereiken we niets)
  3. 6. een (X) woord is gauw gezegd (= je moet altijd twee keer nadenken voor je iets zegt)
  4. 8. het (X) woord willen hebben (=de baas willen zijn)
  5. 9. iemand aan zijn woord (X) (=van iemand eisen dat hij zijn belofte nakomt)
  6. 11. ergens geen woorden aan (X) maken (=er niets eens over spreken)
  7. 12. iemand te woord (X) (=naar iemand luisteren en uitleg geven)
  8. 13. de (X) bij het woord voegen (=onmiddellijk doen wat men zegt te zullen doen)
  9. 15. zijn woorden op een goudschaaltje (X) (=uiterst weloverwogen spreken)
Down
  1. 1. woorden zijn dwergen, daden zijn (X). (=Woorden doen weinig, daden maken het verschil)
  2. 2. met iemands woorden naar de (X) gaan (=overal rondvertellen wat men elders horen zeggen heeft)
  3. 3. het (X) woord voeren  (=baas zijn (of willen zijn))
  4. 4. een man een (X), een woord een woord (=als je iets hebt beloofd, dan moet je je daar ook aan houden)
  5. 6. uit wiens (X) men eet, wiens woord men spreekt (=diegene bij wie we ons geld verdienen of diegene die macht over ons heeft geven we meestal gelijk)
  6. 7. woorden (X) (=ruzie maken)
  7. 10. de woorden uit de (X) halen (=zeggen wat de ander ook net wou zeggen)
  8. 14. een goed woordje voor iemand (X) (=iemand bij een ander aanbevelen)