Woordenschat

123456789101112
Across
  1. 2. langs iets of iemand gaan.
  2. 6. de plaats waar je naartoe gaat op vakantie.
  3. 8. de spullen die je meeneemt als je op reis gaat.
  4. 9. een luxe bus waar je mee op reis kunt gaan.
  5. 10. een bewijs waarmee je in het buitenland kunt laten zien wie je bent.
  6. 11. een ander woord voor ergens aankomen.
  7. 12. iemand die de vakantie voor een groep mensen regelt en van alles vertelt over het vakantieland.
Down
  1. 1. de politie aan de grens van een land. Zij controleren of spullen of mensen het land in of uit mogen.
  2. 3. een aandenken van de vakantie dat je meeneemt naar huis.
  3. 4. kijken of iets klopt.
  4. 5. door blijven lopen en niet stil blijven staan.
  5. 7. van de ene naar de andere plaats trekken waarbij je overal maar even blijft.