woordenschat eenheid 3 les 13

12345678910111213141516171819202122232425262728
Across
  1. 3. Een klein hard stukje van iets bijvoorbeeld zand of mais
  2. 6. In de zon zitten of liggen om bruin te worden
  3. 9. Een diertje. Het leeft in zee, in een blauwzwarte schelp.
  4. 11. Een opdracht of les in hoe je iets moet doen
  5. 12. Als iets niet te zien is
  6. 19. Een gebied met velden, weilanden en dorpen zonder grote steden
  7. 20. Een deken van lapjes die aan elkaar genaaid zijn
  8. 24. Op iemand letten en een praatje met hem maken
  9. 25. Iets niet willen
  10. 26. Verdrietig
  11. 28. Een beetje aarde die aan elkaar plakt
Down
  1. 1. Heel goed kijken naar iets in de verte
  2. 2. Als je soepel kunt bewegen
  3. 4. Vrucht of groente van het land halen als ze genoeg gegroeid zijn
  4. 5. Als de zee wegstroomt van het strand
  5. 7. Iemand die veel van iets afweet
  6. 8. Vet spul dat je op je huid smeert om je huid te beschermen tegen de zon
  7. 10. Als het water van de zee steeds verder het strand opkomt
  8. 13. Een taal die veel Marokkaanse mensen spreken
  9. 14. Als iets heel vreemd is je bent er verbaasd over
  10. 15. Een plant die in zee groeit
  11. 16. De streep in de verte. Die zie je als je ergens ver kunt kijken
  12. 17. Iemand die in Amerika woont. Zijn volk woonde daar altijd al voordat er mensen uit Europa kwamen
  13. 18. Wild heen en weer bewegen met je armen en benen
  14. 21. Een gevoel, je wil zo graag ergens anders zijn dat het pijn doet
  15. 22. Grond omscheppen
  16. 23. Een recht stuk water waar schepen kunnen varen
  17. 27. Planten die vanzelf groeien op een plek waar je ze niet wil hebben