woordenschat Grieks
Across
- 2. aarde (acc.)
- 5. lidwoord (acc. m. mv.)
- 10. hij vlucht
- 11. eer (acc.)
- 12. zij maakt los
- 14. het draagt
- 16. hij heeft
- 18. altijd
- 19. dood (acc.)
- 21. jong (acc. m. mv.)
- 23. zon (nom.)
- 25. nee
- 27. het geschenk (acc.)
- 28. slaven (acc. mv.)
Down
- 1. goed (nom. v. mv.)
- 3. alleen (nom. v. enk.)
- 4. wijsheid (nom.)
- 6. zielen (acc. mv.)
- 7. bomen (nom. mv.)
- 8. overwinningen (nom. mv.)
- 9. goden (nom. mv.)
- 13. ze zijn
- 15. rivier (nom.)
- 17. naar
- 18. mensen (nom. mv.)
- 20. paarden (acc. mv.)
- 22. lang (acc. o. enk.)
- 24. woord (acc.)
- 26. mooi (acc. o. mv.)