Woordenschat groep 6 - blok 1 - hoofdstuk 1

12345678910111213141516171819
Across
  1. 2. iemand die zijn publiek dingen laat zien die eigenlijk niet kunnen gebeuren
  2. 5. met spoed, snel, haastig
  3. 7. deelnemer, iemand die ergens aan mee doet
  4. 8. lange wandeling
  5. 9. met de afstandsbediening van de ene naar de andere zender gaan
  6. 10. zorgen dat je er klaar voor bent
  7. 13. vrucht: groen, klein en bitter van smaak
  8. 14. relaxen, lekker rustig aan doen
  9. 15. langwerpige, witte stronkjes die meestal gekookt worden
  10. 17. waarom je iets doet of vindt
  11. 18. heel erg snel
  12. 19. een ziekte die invloed heeft op je spieren
Down
  1. 1. gezien worden als.. mensen kennen mij als..
  2. 3. terrein waar veel fabrieken en kantoren zijn
  3. 4. rashond, vaak slim, groot en met opstaande oren en een bruin-zwarte vacht
  4. 6. langwerpig, groene groente
  5. 11. groente: groen, bolvormig en lijkt op een groene bloemkool
  6. 12. de groep mensen die bij de brandweer werken
  7. 16. lage bank waar je goed op kan uitrusten