Woordenschat inoefenen - MB - Thema 1B 'DE ANDER EN IK'

123456789101112131415161718192021222324252627282930
Across
  1. 4. wie gemakkelijk mooie of nieuwe dingen maakt of bedenkt
  2. 6. ruimvallend jasje dat je over andere kleren aantrekt voor de veiligheid
  3. 7. hoe je iets doet
  4. 10. vol spannende gebeurtenissen
  5. 12. als je aardig bent voor anderen
  6. 13. onhandig en houterig, moeilijk te buigen
  7. 14. helpen
  8. 17. niet sierlijk
  9. 18. laten merken dat je het ergens niet mee eens bent
  10. 22. iets van bekend is en waarbij je je veilig voelt
  11. 25. zonder gevaar, beschermd tegen gevaar
  12. 26. denken dat iemand eerlijk is, of dat iets goed zal gaan
  13. 27. gemaakte afspraak waar iedereen zich aan moet houden
  14. 28. vaak met ongeveer steeds dezelfde tijd ertussen
  15. 30. waar je veel van leert
Down
  1. 1. iemand die niet graag geld uitgeeft aan anderen
  2. 2. als je het samen met een ander heel prettig hebt
  3. 3. onbekend, niet vertrouwd
  4. 4. nagaan of iets in orde is
  5. 5. zonder zin om iets te doen
  6. 8. goed letten op iemand
  7. 9. talent voor het maken van muziek hebben
  8. 11. ermee door blijven gaan
  9. 14. iets aan elkaar beloven
  10. 15. een ding
  11. 16. dat wat je voelt
  12. 19. hard werken
  13. 20. onder andere
  14. 21. je snapt vlug hoe het moet
  15. 23. wie niet goed nadenkt
  16. 24. iemand die geen grapjes maakt
  17. 29. werk dat je moet doen
  18. 30. iemand zonder moed