woordenschat NN 3 vmbo k H 3

1234567891011121314151617181920212223242526272829
Across
  1. 2. saldo als je alles samen bekijkt / ten slotte
  2. 3. gebeurtenissen
  3. 6. werd duidelijk
  4. 7. is sprake van het gaat over
  5. 9. geheel, alles bij elkaar
  6. 10. ergens niet meer zonder kunnen
  7. 12. wat iemand graag wil
  8. 13. ziekte
  9. 16. ongeveer geschat
  10. 19. persoon die het regelt
  11. 20. daarna
  12. 22. zulke
  13. 23. redenen
  14. 24. allen tijde altijd
  15. 25. te strijken krijgen
  16. 26. mensen die er veel van weten
  17. 27. in het geval
  18. 28. klant
Down
  1. 1. iets naars wat je doet omdat iemand je iets heeft aangedaan
  2. 4. belangrijke gebeurtenis
  3. 5. ongeveer
  4. 6. gaat om
  5. 8. afdeling, groep
  6. 11. het grootste deel
  7. 14. gevonden
  8. 15. plaats
  9. 17. goed kunnen denken
  10. 18. toch
  11. 21. ook niet
  12. 24. aan laat zien
  13. 29. beslag te nemen af te pakken