Woordenschat thema 1, week 2
Across
- 1. Langzaam rijden.
- 5. Iemand die op de weg rijdt of loopt.
- 7. Hier vervoer je mensen mee, bijvoorbeeld een auto of fiets.
- 9. Iemand is onderweg, hij komt er bijna aan.
- 10. Dit laat de motor van de auto harder werken, sneller rijden.
- 11. Heel snel, bliksemsnel.
- 12. Een auto om spullen mee te vervoeren.
Down
- 2. Daarna.
- 3. Ergens toevallig terecht komen.
- 4. Een vrachtwagen.
- 6. Een voertuig dat wordt getrokken door paarden.
- 8. Maar.