Woordenschat week 34

123456789101112131415161718
Across
  1. 6. Helemaal verdwijnen in het water of een andere vloeistof, maar het is er nog wel.
  2. 7. Bloeien, groeien.
  3. 11. Opnieuw gebruiken.
  4. 13. Uitdelen.
  5. 14. Het moet.
  6. 15. Vies maken.
  7. 16. Slecht, maakt dingen kapot.
  8. 18. Ophouden te bestaan, kapot gaan.
Down
  1. 1. Goed, het maakt dingen beter.
  2. 2. De rommel die op straat en in de natuur blijft liggen.
  3. 3. Ophalen om er iets mee te doen.
  4. 4. Niet tijdelijk.
  5. 5. Ieder jaar.
  6. 8. Iemand die veel van iets weet.
  7. 9. Ophalen en even bij je houden.
  8. 10. Iemand die niet veel weet van een bepaald onderwerp.
  9. 12. Het geld dat je betaalt voor een verpakking en dat je terugkrijgt als je de verpakking weer inlevert.
  10. 17. De machine die iets doet wat vroeger mensen moesten doen.