Woordenschat

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152535455565758596061626364
Across
  1. 2. opsomming van de manier waarop een boek tot stand is gekomen
  2. 3. prutser
  3. 5. amateur
  4. 8. pennenstrijd
  5. 13. sterrenkunde
  6. 15. kerkelijke banvloek
  7. 16. mildheid
  8. 17. alternatieve wijze om een project te financieren
  9. 19. medeleven
  10. 22. betreffende een ruime beslissingsmogelijkheid
  11. 25. situatie waarin er weinig tot geen partijtrouw is
  12. 26. kinderen die overal naartoe gebracht worden
  13. 31. opsluiting, hechtenis
  14. 33. het volk misleiden
  15. 34. engels waarbij de grammatica goed is, maar de uitspraak heel slecht
  16. 35. kracht waardoor afhankelijke dingen samen worden gebracht
  17. 36. 24 uur
  18. 37. met gevoel opzeggen, voordragen
  19. 39. het zich ergens toe verplichten
  20. 40. godslasterlijk, heiligschennend
  21. 44. horoscoop
  22. 45. indirecte belastingen
  23. 46. geleerd
  24. 47. onregelmatigheid
  25. 50. iets wat heel veel reacties uitlokt
  26. 51. groep deskundigen die een oplossing zoeken
  27. 53. schuld die iemand heeft
  28. 54. vast bedrag dat periodiek betaald wordt
  29. 56. iemand die het volk leidt, met een negatieve connotatie
  30. 57. heel belangrijk
  31. 58. het kwaad, de kwaal
  32. 59. willekeurig
  33. 61. opgeblazen
  34. 62. spraakontwikkelingsstoornis
  35. 63. verlieslatend
  36. 64. spottende aanval
Down
  1. 1. krachtenbundeling
  2. 2. op een logische manier samenhangend
  3. 4. afbrokkelen
  4. 5. erg, grondig
  5. 6. anders denkende
  6. 7. iemand of iets doelbewust als zeer negatief voorstellen om de mening over die persoon of zaak te veranderen
  7. 9. moeilijk verstaanbaar
  8. 10. officiële woonplaats
  9. 11. aanvulling
  10. 12. plichtenleer, gedragscode
  11. 13. woord gemaakt uit afkortingen
  12. 14. soevereine staat (bestaat uit verschillende delen, maar er wordt toch 1 geheel gevormd)
  13. 16. nationalistisch gezind
  14. 17. positieve of negatieve klank aan een woord
  15. 18. uiterst streng
  16. 20. emigratie van intellectuelen
  17. 21. volgens de gewoonten, eisen
  18. 23. de werking van antibiotica werkt niet meer
  19. 24. onverwachte, plotse ramp
  20. 27. elektrochemisch
  21. 28. parlementsleden zonder verantwoordelijkheden
  22. 29. een onderneming past haar activiteiten of productie aan de conjunctuur
  23. 30. samenhangend
  24. 32. protesteren, betwisten
  25. 33. in overstelpte hoeveelheid iets over jou krijgen
  26. 38. dubbel gevoel
  27. 40. ruzie maken, discussiëren
  28. 41. probleempje
  29. 42. volledig
  30. 43. sober
  31. 48. werkgeversorganisatie
  32. 49. rampzalig
  33. 50. groepsgesprek
  34. 52. verstoord taalbegrip ten gevolge van een beroerte
  35. 55. huidige economische omstandigheden
  36. 60. leiden, runnen