Woordpakket 10

1234567891011121314151617181920
Across
  1. 3. "Neen, je ... geen cadeautje vandaag".
  2. 5. De kleur van een wolkeloze hemel.
  3. 7. = op hetzelfde moment. "De renners gingen ... over de eindstreep."
  4. 11. Een dier met lange oren, dat graag wortels eet.
  5. 12. "De supermarkt is op het ... van de straat links."
  6. 14. Je mama en papa samen, noemen we je ...
  7. 16. Het veld waar koeien op grazen.
  8. 19. Een rijtuig op vier wielen.
  9. 20. De leider van de rooms-katholieke kerk.
Down
  1. 1. Iets dat niet juist is.
  2. 2. Een volwassen meisje, noemt men een ...
  3. 4. Iets wat niemand weet of mag weten.
  4. 6. De persoon die je haat.
  5. 8. Het tegenovergestelde van groot.
  6. 9. Iets met je tanden vastgrijpen.
  7. 10. "Volgende week ga ik op ... naar Berlijn!"
  8. 13. Het tegenovergestelde van warm.
  9. 15. Het tegenovergestelde van braaf.
  10. 17. Een dikke, smakelijke vloeistof die je over je eten giet.
  11. 18. Iets met weinig smaak. "Die soep is te ... Doe er wat zout bij!"