Woordpakket 4

1234567891011121314151617181920
Across
  1. 2. Toen het koud was, heb ik te veel aan mijn ... gelekt. Nu zijn ze kapot.
  2. 3. Op skireis moet je goed opletten. Je kan makkelijk iets ...
  3. 5. Ik ... Marie al een half uur te bellen en ze is onbereikbaar.
  4. 7. De kerk staat niet aan de rand, maar in het ... van het dorp.
  5. 10. Ik zal je troosten. Kom hier, dan geef ik je een ...
  6. 11. Ik heb hoofdpijn van dat ... licht.
  7. 13. = uitgelaten, opgewonden. Door alle cadeautjes waren de kinderen door het ... heen.
  8. 14. Voorwerpen waarmee je iemand kunt aanvallen, bijv. een geweer (meervoud).
  9. 16. De klasdeur is ongeveer 1 ... breed.
  10. 18. Dieren die muizen vangen en miauwen (meervoud).
  11. 20. Toen ik op kamp was, sliepen we allen onder de blote ...
Down
  1. 1. Het eten was zeer ... Je hebt dat goed gedaan!
  2. 4. Ik kan die noot niet ... Probeer jij eens?
  3. 6. = onbeschoft. Die jongen heeft een grote mond. Hij is heel ...
  4. 8. Ik vond langs de kant van de baan een ... kat. Ze was overreden.
  5. 9. Personen die worden behandeld als een bezit.
  6. 12. = leuk. Alex is een ... kerel!
  7. 15. Jij woont toch in de Stationsstraat? Welk huis... heb jij?
  8. 17. Gisteren ... we geen zin meer om te komen.
  9. 19. Een apparaat waarin je iets kan bakken.