12.6 Planteneters, vleeseters en alleseters

123456789101112131415
Across
  1. 2. Een dagelijks terugkerend laagje van bacteriën, speeksel en voedselresten.
  2. 4. Deze kiezen hebben een bobbelig oppervlak voor het fijnmalen van voedsel.
  3. 5. Deel van een tand of kies waarmee deze stevig in het kaakbot vastzit.
  4. 6. Deze dieren hebben een lang darmkanaal en eten uitsluitend plantaardig voedsel.
  5. 12. Hierbij wordt het glazuur aangetast door zure stoffen uit voedsel of drank.
  6. 13. Kiezen met harde richels waarmee voedsel wordt fijngemalen bij herbivoren.
  7. 14. Ze eten alleen dierlijk voedsel en hebben meestal scherpe hoektanden.
  8. 15. Beschadiging van tanden en kiezen door zuren uit bacteriële afbraak.
Down
  1. 1. Beschermende laag om het tandbeen die erg hard is.
  2. 3. Hun gebit is aangepast op het eten van zowel dierlijk als plantaardig voedsel.
  3. 7. Zachte substantie die het grootste deel van tanden en kiezen vormt.
  4. 8. Holte in een tand waar zenuwen en bloedvaten zich bevinden.
  5. 9. Stof die het tandglazuur versterkt en beschermt tegen zuren.
  6. 10. Hiermee wordt vlees doorgesneden als een schaar.
  7. 11. Bedekt het tandbeen van de wortel met een dun laagje.