Across
- 2. Een dagelijks terugkerend laagje van bacteriën, speeksel en voedselresten.
- 4. Deze kiezen hebben een bobbelig oppervlak voor het fijnmalen van voedsel.
- 5. Deel van een tand of kies waarmee deze stevig in het kaakbot vastzit.
- 6. Deze dieren hebben een lang darmkanaal en eten uitsluitend plantaardig voedsel.
- 12. Hierbij wordt het glazuur aangetast door zure stoffen uit voedsel of drank.
- 13. Kiezen met harde richels waarmee voedsel wordt fijngemalen bij herbivoren.
- 14. Ze eten alleen dierlijk voedsel en hebben meestal scherpe hoektanden.
- 15. Beschadiging van tanden en kiezen door zuren uit bacteriële afbraak.
Down
- 1. Beschermende laag om het tandbeen die erg hard is.
- 3. Hun gebit is aangepast op het eten van zowel dierlijk als plantaardig voedsel.
- 7. Zachte substantie die het grootste deel van tanden en kiezen vormt.
- 8. Holte in een tand waar zenuwen en bloedvaten zich bevinden.
- 9. Stof die het tandglazuur versterkt en beschermt tegen zuren.
- 10. Hiermee wordt vlees doorgesneden als een schaar.
- 11. Bedekt het tandbeen van de wortel met een dun laagje.
