Across
- 2. Je vindt me van kop tot teen. Ik ben vloeibaar. Soms doe ik mensen flauwvallen en ik zit in ieder levend wezen dat je kent. Wat ben ik?
- 4. Wat is meteen weg zodra je hard roept?
- 6. Je ziet het wel, maar je kijkt er dwars doorheen.
- 7. Ik ben ingepakt, maar ik ben geen geschenk. Ik zit veilig in een kamer en archeologen vinden mij een grote schat. Wat ben ik?
- 8. De persoon die het maakte, heeft het verkocht. De persoon die het kocht, heeft het nooit gebruikt. De persoon die het gebruikte, heeft het nog nooit gezien. Wat is het?
- 10. Ik ben groot wanneer ik jong ben. Ik ben kort wanneer ik oud ben. Iedere Halloween vind je mij in pompoenenhoofden. Wat ben ik?
Down
- 1. Wat heeft aan alle kanten ogen, maar kan niets zien?
- 3. Ik ben een lichaam met een been, een arm en een hoofd, maar ik zie er naakt en bloot uit. Wat ben ik?
- 5. Als je er ’s nachts eentje ziet rondvliegen, ben je best voorzichtig. Sommige veranderen namelijk in vleermuizen en komen je nek bijten. Wat zijn ze?
- 9. Een vogel kan mij maken, maar in de lucht ga ik niet mee. Nat kan ik niet worden, zelfs als je mij ziet in water of in zee. Het licht is mijn grote vriend, zonder hem ben ik echt niets. En ik reis altijd met je mee, al ga je nog zo snel met je fiets. Wat ben ik?
