Across
- 2. Gebied dat lager ligt dan 200 m.
- 3. Boomloze grasvlakte in een droog gebied.
- 6. Koud klimaat waarbij de gemiddelde zomertemperatuur niet hoger dan 0 graden is.
- 11. Luchtstreek met een breedteligging boven de 66,5 N.B. en onder de 66,5 Z.B.
- 13. Het kunstmatig nathouden van akkers.
- 14. Omgezaagde bomen vervangen door het planten van nieuwe bomen.
- 15. De afstand van een plaats tot de evenaar.
- 18. Klimaat met koele zomers en zachte winters en het hele jaar door neerslag.
- 19. Gebied met heuvels tussen de 200 m en 500 m hoogte.
- 21. Natuurlijke zone waar grassen, mossen en lage struiken groeien. Het is er te koud voor boomgroei.
- 22. De zijde van een berg waar de wind op staat. Als de wind van zee komt, is dit de droge kant van de berg.
- 23. Vorm van landbouw waarbij dieren worden gehouden voor bijvoorbeeld vlees, melk of wol.
Down
- 1. Het produceren van voedsel en andere producten door gewassen te verbouwen of dieren te houden.
- 3. Land dat aan drie kanten wordt begrensd door water.
- 4. Een natuurlijke zone in de bergen.
- 5. Hoogteverschillen in het landschap.
- 7. Natuurlijke zone waar vooral naaldbomen groeien. De zomertemperatuur ligt er tussen de 10 en 15 graden (ook wel taiga genoemd).
- 8. Vorm van landbouw waarbij gewassen als graan, mais en aardappelen op grote akkers worden verbouwd.
- 9. Een erg droog gebied waar bijna niets groeit.
- 10. Ijsmassa op een berg die heel langzaam naar beneden glijdt.
- 12. Gebergte met bergen die hoger zijn dan 1500 m.
- 15. Vorm van landbouw waarbij bomen gekweekt worden voor de productie van hout.
- 16. Luchtstreek rond de evenaar, van 23,5 N.B. tot 23,5 Z.B.
- 17. Klimaat met warme zomers en koude winters. De neerslag valt in alle seizoenen.
- 20. De kant van een berg waar de wind tegenaan waait. Als de wind van zee komt, is dit de natte kant van de berg.
