beroepshouding

12345678910111213
Across
  1. 2. proper en netjes werken.
  2. 3. wees altijd spontaan, vriendelijk en fijn gemanierd, maar blijf zakelijk.
  3. 4. weten wat je niet mag doorvertellen.
  4. 7. de klant staat steeds in de belangstelling.
  5. 9. weten wat jouw bezit is en wat niet; fouten durven toegeven.
  6. 10. aandachtig en zonder fouten werken.
  7. 12. je werk zodanig plannen dat je het kan afgeven als er om gevraagd wordt.
  8. 13. op tijd komen, je werk op tijd afgeven.
Down
  1. 1. je kunnen aanpassen aan verschillende situaties.
  2. 5. op het juiste moment en op de juiste manier zeggen en doen wat je vindt, zonder de ander te kwetsen.
  3. 6. jezelf in de hand houden, in jezelf geloven.
  4. 8. durven opkomen voor jezelf.
  5. 11. zelf beslissingen durven en kunnen nemen op onvoorziene momenten.