Across
- 2. proper en netjes werken.
- 3. wees altijd spontaan, vriendelijk en fijn gemanierd, maar blijf zakelijk.
- 4. weten wat je niet mag doorvertellen.
- 7. de klant staat steeds in de belangstelling.
- 9. weten wat jouw bezit is en wat niet; fouten durven toegeven.
- 10. aandachtig en zonder fouten werken.
- 12. je werk zodanig plannen dat je het kan afgeven als er om gevraagd wordt.
- 13. op tijd komen, je werk op tijd afgeven.
Down
- 1. je kunnen aanpassen aan verschillende situaties.
- 5. op het juiste moment en op de juiste manier zeggen en doen wat je vindt, zonder de ander te kwetsen.
- 6. jezelf in de hand houden, in jezelf geloven.
- 8. durven opkomen voor jezelf.
- 11. zelf beslissingen durven en kunnen nemen op onvoorziene momenten.
