buitenissig les 5 woordzoeker

12345678910111213141516171819
Across
  1. 3. de man of vrouw met wie je samenleeft of getrouwd bent.
  2. 5. iemand ergens toe overhalen.
  3. 8. vermeerderen, voor nageslacht zorgen.
  4. 9. veel indruk op anderen maken.
  5. 10. het opeten van een soortgenoot als gewoonte hebben.
  6. 12. de gedaantewisseling, een sterke verandering van uiterlijk.
  7. 13. doorstaan, verduren.
  8. 16. heel bijzonder, weinig voorkomend.
  9. 18. heel anders dan anders en daardoor opvallen.
  10. 19. boos en gemeen.
Down
  1. 1. zonder twijfel doen wat je van plan bent.
  2. 2. in een groep vliegen.
  3. 4. een vangarm, een lange kronkelige arm die sommige dieren aan hun lijf hebben.
  4. 6. een dier dat leeft op of in een ander dier of mens.
  5. 7. erg aan iets of iemand gehecht zijn en er graag steeds bij in de buurt willen zijn.
  6. 11. heel klein.
  7. 14. onnozel. als je nergens iets achter zoekt en te goed van vertrouwen bent.
  8. 15. zo groot dat je het niet meer kunt meten.
  9. 17. nadoen.