Across
- 3. de man of vrouw met wie je samenleeft of getrouwd bent.
- 5. iemand ergens toe overhalen.
- 8. vermeerderen, voor nageslacht zorgen.
- 9. veel indruk op anderen maken.
- 10. het opeten van een soortgenoot als gewoonte hebben.
- 12. de gedaantewisseling, een sterke verandering van uiterlijk.
- 13. doorstaan, verduren.
- 16. heel bijzonder, weinig voorkomend.
- 18. heel anders dan anders en daardoor opvallen.
- 19. boos en gemeen.
Down
- 1. zonder twijfel doen wat je van plan bent.
- 2. in een groep vliegen.
- 4. een vangarm, een lange kronkelige arm die sommige dieren aan hun lijf hebben.
- 6. een dier dat leeft op of in een ander dier of mens.
- 7. erg aan iets of iemand gehecht zijn en er graag steeds bij in de buurt willen zijn.
- 11. heel klein.
- 14. onnozel. als je nergens iets achter zoekt en te goed van vertrouwen bent.
- 15. zo groot dat je het niet meer kunt meten.
- 17. nadoen.
