Across
- 3. De fietsen moeten ..... geven
- 5. Kies het vak met de fiets en de .....
- 6. Kijk uit! Er komt een auto uit die ....
- 8. Veilig fietsen op de ......
- 9. Wil je afslaan? Steek je ...... uit
Down
- 1. Veilig oversteken op het ........
- 2. Fiets niet over de.....
- 3. De fietsers stoppen voor het .....
- 4. De fietsers komen bij een ....
- 7. Die mevrouw loopt slecht. Laat haar ....
- 8. Hé, ga eens aan de kant met je .....
