Across
- 2. Laatste deel.
- 4. Land omringd door water.
- 5. Vrucht van een eik.
- 6. Komt van een kip.
- 10. Beschermt land tegen water.
- 11. Het maken van een huis.
- 12. Meervoud van boerderij.
- 14. Kleine boodschap.
- 17. Hij ____ thuis.
Down
- 1. Kleine boerderij.
- 3. Niet ver weg maar _____.
- 5. Dier met pluimstaart.
- 7. Wat je koopt in de supermarkt.
- 8. Hij ____ een huis.
- 9. Bovendien; ook nog _____.
- 10. Beleefde vorm voor vrouw.
- 13. Boom met eikels.
- 14. Ik ____ hier wonen.
- 15. Niet zelden maar _____.
- 16. Van jezelf.
