de voortplanting

123456789101112131415
Across
  1. 3. = Het zorgen voor nakomelingen
  2. 5. = Stoffen die via het bloed de werking van organen regelen
  3. 8. = Geslachtskenmerken die vanaf de geboorte aanwezig zijn
  4. 11. = Cel die ontstaat na versmelting van eicel en zaadcel
  5. 12. = Geslachtskenmerken die tijdens de puberteit ontstaan
  6. 14. = Overgangsperiode van kind naar volwassene
  7. 15. = Vrouwelijk geslachtshormoon
Down
  1. 1. = Mannelijk geslachtshormoon
  2. 2. = Blaasje waarin een eicel rijpt
  3. 4. = Hormoon dat het baarmoederslijmvlies doet verdikken
  4. 6. = Het vrijkomen van sperma
  5. 7. = Witte vloeistof met zaadcellen
  6. 9. = Vrouwelijke voortplantingscel
  7. 10. = Ander woord voor bevruchte eicel
  8. 13. = Het vrijkomen van een rijpe eicel