Across
- 3. = Het zorgen voor nakomelingen
- 5. = Stoffen die via het bloed de werking van organen regelen
- 8. = Geslachtskenmerken die vanaf de geboorte aanwezig zijn
- 11. = Cel die ontstaat na versmelting van eicel en zaadcel
- 12. = Geslachtskenmerken die tijdens de puberteit ontstaan
- 14. = Overgangsperiode van kind naar volwassene
- 15. = Vrouwelijk geslachtshormoon
Down
- 1. = Mannelijk geslachtshormoon
- 2. = Blaasje waarin een eicel rijpt
- 4. = Hormoon dat het baarmoederslijmvlies doet verdikken
- 6. = Het vrijkomen van sperma
- 7. = Witte vloeistof met zaadcellen
- 9. = Vrouwelijke voortplantingscel
- 10. = Ander woord voor bevruchte eicel
- 13. = Het vrijkomen van een rijpe eicel
