Across
- 4. Waarom (worden - OTT) je boos?
- 8. Hij wordt (heropvoeden - Vd)
- 9. Ze (proeven - OVT) de aardappelen niet.
- 12. Hun ouders zijn (scheiden - Vd).
- 13. Mijn zus (vinden - OTT)hem leuk.
- 14. Jullie (downloaden - OVT)het programma.
- 16. De leerling heeft zijn mening (uitdrukken - Vd).
- 17. Mijn moeder (proeven - OTT) de soep.
- 19. We (ontmoeten - OVT) elkaar op school.
- 21. Mijn vader heeft me (sms'en - Vd).
- 23. De programmeur (deleten - OTT).
Down
- 1. Wat is er (gebeuren - Vd)?
- 2. Mijn broer (durven - OVT) alleen naar school te gaan.
- 3. We (antwoorden - OVT) deze vraag niet.
- 5. Ze heeft me (e-mailen - Vd).
- 6. Ze (heten - OVT) Jan en Lisa.
- 7. Waarom (drinken - OTT) je geen cola?
- 10. Mijn vriend (verhuizen - OTT) vandaag.
- 11. Ik heb mijn positie (heroverwegen - Vd).
- 15. Hij (beloven - OTT) me te helpen.
- 18. Deze persoon is (uitstappen - Vd).
- 20. Ik heb met mijn vriend (lachen - Vd).
- 22. Ik denk dat je (blozen - OTT).
