Across
- 2. Die is de sterkste dier voor zijn hoogt.
- 4. Die heeft een lange manen.
- 5. De beste vriend van de mensen.
- 9. Hij voegen soms een "weer" voor zijn naam toe.
- 11. Die heeft geen poten, hij kruipt.
- 12. Die boerderijedier maakt melk voor zijn kinderen.
- 14. Hij houd van de modder.
- 15. Die was een dinosaurus toen en die leeft nog in de maret.
- 17. Hij springt heel hoog.
- 19. Hij is soms wit soms bruin.
- 20. Groot nek.
- 22. Hij maakt dammen in hout.
Down
- 1. Hij loopt even snel als een auto op de autosnelweg.
- 3. Hij eet bamboe.
- 6. Hij heeft een lange neus.
- 7. Die heeft pluim maar die kan niet vliegen.
- 8. Hij bijt ons tijdens de nacht.
- 10. Hij spit als hij boos wordt.
- 13. Zijn huid wordt gebruikt voor de jassen van de koningen.
- 15. Grote oren.
- 16. De groter vijand van de hond.
- 17. Dit zwarte vogel wil altijd de zaden van mijn velden opeten.
- 18. Hij leeft in de riolen.
- 21. Die heeft bijna geen haren, allen maar op zijn kop.
