dokter apotheek

1234567
Across
  1. 2. Als je ziek bent, ga je naar je ....
  2. 5. Deze kaart moet je tonen bij de apotheek
  3. 6. De dokter geeft je een ...... voor een medicijn
  4. 7. Een ander woord voor medicijn
Down
  1. 1. In koekjes en snoep zit veel ....
  2. 2. Een datum op een product of een medicijn
  3. 3. Een ander woord voor bijten
  4. 4. Een ander woord voor pilletje
  5. 7. Fruit, groenten, melk, yoghurt is ....