Across
- 1. dat zie je onder water
- 3. daar kom je op zien hoeveel lucht je in je fles heb.
- 4. anders kan je niks zien onder water.
- 6. als je dan in het water kom dan ben je gewoon droog
- 10. want als het dan koud is heb je het dan minder koud.
- 13. je heb een fles op je rug anders kan je niet ademen.
- 14. dat zit in je mond en je haalt er mee adem.
- 16. als je dan in het water springt dan wordt je gewoon nat.
Down
- 1. het zijn boten die zijn gezonken of voor de plezier neergelegd.
- 2. als je dan in het water springt wordt het water warm
- 5. als je dan veel lucht in je pak heb moet je lood hebben want dan ga je naar beneden.
- 7. je kan het onder water oppompen met lucht uit je fles en dan ga je naar boven.
- 8. daar zit je automaat mee vast aan je fles.
- 9. dat zit op je voeten en dan als je dan zwemt ga je sneller vooruit.
- 11. je doet het onder water.
- 12. die liggen vaak onder een bootje.
- 15. dat zit over je hoofd heen en dat beschermd je wat meer voor de kou.
