Duits

1234567891011121314
Across
  1. 1. hiermee eet je soep
  2. 4. iets met heel veel suiker
  3. 6. doe je in koffie of thee
  4. 7. je hebt zin in eten, dan heb je .......
  5. 9. Appeit zeg je tegen elkaar als je gaat eten
  6. 10. is het in de winter
  7. 11. drinken
  8. 13. die je in de keuken
Down
  1. 2. koop je in de suppermarkt
  2. 3. is het in de zomer
  3. 5. doe je in de ochtend
  4. 6. is zuur
  5. 8. het tegenovergestelde van slecht
  6. 12. word gemaakt van melk
  7. 14. ander woord voor warm