Eenheid 3, les 9 + 11

123456789
Across
  1. 4. Iemand die dingen koopt en verkoopt om geld te verdienen.
  2. 6. Het is juist, en eerlijk. Er is een goede reden voor.
  3. 7. Ze waren met een hoop spullen aan het ………….. Alles moest in de vrachtwagen.
  4. 9. Een groep mensen die samen werken of samen sporten.
Down
  1. 1. Dat wat je het allerliefste hebt of eet. Het is je ……………….
  2. 2. Iets wat al heel lang op dezelfde manier gebeurt. Dit is in elk land of plaats verschillend.
  3. 3. Wow, hij was helemaal door het …… heen toen hij het goede nieuws hoorde!
  4. 5. Dit woord gebruik je als het eten erg heet van smaak is en je er dorst van krijgt
  5. 8. Een soort van koekenpan maar dan met een bolle bodem.