Eenheid 6, les 9 + 11

123456789
Across
  1. 2. Een lijn van links naar rechts. Net zoals de horizon.
  2. 4. Als je erg snel boos bent.
  3. 6. Een schip zonder uitstekels. Dus zonder mast of zeilen.
  4. 8. Ruzie maken over kleine dingen.
  5. 9. Ik had het niet in de gaten; ik had er geen … in.
Down
  1. 1. Het gaat steeds door, zonder stoppen.
  2. 3. Hij is de baas over je. Hij is je …………..
  3. 5. Jij moet eens een …… lager zingen: wat minder praatjes hebben.
  4. 7. Het is een soort van boot/schip die steeds op en neer rijdt zodat mensen aan de overkant van de rivier komen.