Eenheid 7, herhalingsblad

1234567891011
Across
  1. 2. Een insect dat net uit het ei is gekomen. Een soort rups. Later wordt het bijv. een vlieg/vlinder.
  2. 8. Dingen bij elkaar doen of twee dingen tegelijk doen.
  3. 9. Een reis om iets te onderzoeken.
  4. 11. Groter maken
Down
  1. 1. Een hele verzameling van iets hebben.
  2. 3. Een ronde bak met gaatjes erin. Je gebruikt het om eten dat nat is in uit te laten druppelen.
  3. 4. Dichtgooien met aarde. Bijvoorbeeld een put. Of het geluid tegenhouden.
  4. 5. Wat je achter iets anders ziet. Bijvoorbeeld op het scherm van je telefoon, digibord of computer.
  5. 6. Een lang kledingstuk. Het lijkt op een jurk.
  6. 7. Ergens de schil of de dop vanaf halen. Bijvoorbeeld van een uit, een ei of een pinda.
  7. 10. Iets laten groeien. Bijvoorbeeld champignons of prei.