Across
- 5. Ik ben niet groot maar wel rood, wij hangen samen aan een plantje. Ik ben lekker met een ijsje en je vindt mij nu overal (enkelvoud)
- 6. Ik kijk zuur als ik een .. eet (enkelvoud)
- 9. In de zomer ben ik heerlijk fris, ik ben een groene krop blaadjes en ik lig op het veld.
- 10. Wat is dit?
- 11. Alle .. zijn krom
Down
- 1. Je vindt mij in het geel, groen en in het rood. Je eet mij rauw en je eet mij gekookt. IK ben niet groot maar ben mooi gevormd en heb een mooi stengeltje (enkelvoud)
- 2. Als jij mij eet, krijg je mooie ogen. Konijntjes eten mij graag.
- 3. De Sint brengt mij mee, het geeft mij extra vitamientjes. Ik ben rond en oranje (meervoud)
- 4. Als je ons schilt, krijg je tranen in de ogen (meervoud)
- 7. Van mij maak je wijn (meervoud)
- 8. Wij zijn heel kleine, groene, ronde bolletjes en wij zijn lekker bij worteltjes. (meervoud)
