Geschiedenis 2-3-5

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536
Across
  1. 3. een soort provincie met eigen regels, wetten en bestuurders (aan het einde van de middeleeuwen in de Nederlanden, bijvoorbeeld Holland en Brabant)
  2. 5. een land dat centraal wordt bestuurd en waarin overal dezelfde wetten en regels gelden.
  3. 8. economisch systeem waarin een heer de horige boeren in zijn beschermde, in rul voor herendiensten en een deel van de opbrengst van het land.
  4. 10. islamitisch gebedshuis.
  5. 11. het recht van inwoners om hun stad zelf te besturen en zelf recht te spreken; ook mochten zij eigen munten slaan en een stadsmuur bouwen.
  6. 13. gebouw dat is gewijd aan de eredienst van de Christelijke God.
  7. 14. een landbouwmethode waarbij akkerland in drieën is verdeeld; EEN deel wordt gebruikt voor zomergraan, EEN deel voor wintergraan en EEN deel ligt braak; de delen wisselen elkaar elk jaar af.
  8. 18. samenwerking tussen NoordwesterEuropese handelssteden; de Hanze was in 14e & 15e eeuw erg machtig.
  9. 19. Goed bewapende en beschermende ruiter.
  10. 20. geloof in allah, volgens de leer van Mohammed.
  11. 21. aanhanger van de islam, volgeling van Mohammed.
  12. 23. Griekse sportwedstrijden ter ere van oppergod Zeus, vanaf 776 voor Christus in Olympia gehouden.
  13. 26. de goden die de Grieken in de oudheid vereerden , zij waren familie van elkaar.
  14. 28. geloof in god, volgens de leer van Jezus Christus.
  15. 30. gebouw waarin een of meer goden worden vereerd.
  16. 31. periode van 500 tot 1500 na Christus.
  17. 33. officiële bewoners van een stad in de middeleeuwen.
  18. 34. een ambachtsman die in dienst is van een meester en die na zo'n zeven jaar opleiding zelfstandig een ambacht kan uitoefenen.
  19. 35. gebouw waar monniken of nonnen afscheiden van de buitenwereld levens om zich helemaal aan de godsdienst te wijden.
  20. 36. groep mensen met bepaalde voorrechten; de edelen hadden een erfelijke titel (bijvoorbeeld graaf of hertog), bezaten veel grond en woonden in kastelen van waaruit ze een gebied bestuurden; samen vormden ze de tweede stand.
Down
  1. 1. bossen en moerassen bruikbaar maken voor landbouw.
  2. 2. iemand die het eigendom is van iemand anders, en die dus niet vrij is en geen rechten heeft.
  3. 4. gebouw waar het stadsbestuur van een stad met stadsrechten vergaderde.
  4. 6. iemand die zijn of haar leven in dienst van de Christelijke Godsdienst stelt, zoals de paus, een bisschop, priester, monnik of non; geestelijken vormden in de middeleeuwen de eerste stand.
  5. 7. een stad waarin handel het voornaamste middel van bestaan is.
  6. 8. een trektuig rond de hals van een trekdier, waardoor het ploegen beter ging.
  7. 9. grote verplaatsing van Germaanse stammen vanuit Noord-Oost Europa naar het zuiden en het westen (4e-5e eeuw na Christus).
  8. 12. boer die geen eigen grond had, maar die moest werken op de grond van een heer en die de grond van een heer niet mocht verlaten zonder zijn toestemming.
  9. 14. gebied waar EEN heer de baas was; het bestond uit de hoeve van de heer, de woningen van de horige boeren en het land dat door de horige boeren werd bewerkt.
  10. 15. voorzitter van de rechtbank, die benoemd werd door de heer van het gebied.
  11. 16. (ook wel vazal) iemand die een heer hielp bij het bestuur, de rechtspraak en de oorlogsvoering en als beloning een stuk land in leen had.
  12. 17. aanhangers van het Christendom, volgelingen van Jezus Christus.
  13. 22. leger dat bestaat uit soldaten die van vechten hun beroep maken.
  14. 24. de hoogste geestelijke van de christelijke (katholieke)kerk; hij wordt gezien als de plaatsvervanger van Christus en woont in Rome.
  15. 25. systeem, waarbij een heer grote stukken land aan leenmannen te leen gaf in ruil voor hun trouw en steun.
  16. 27. mensen uit rijke burgerij die onder leiding van de schout zorgen voor de rechtspraak.
  17. 29. iemand die zoekt naar wijsheid en kennis om de wereld en de mens beter te begrijpen.
  18. 31. een ambachtsman die met succes de meesterproef heeft afgelegd en is toegelaten tot het gilde, hij mocht zijn eigen werkplaats beginnen.
  19. 32. een vereniging van mensen die in een stad hetzelfde beroep uitoefenen; het gilde had bepaalde regels en hielp gilde leden als er problemen waren.
  20. 35. hoogste bestuurder van het Romeinse Rijk.