Across
- 2. Sinds een __________ dagen. Eergisteren is het begonnen.
- 5. Kan je __________ dat niet doen dan?
- 7. Ik moet volgende week __________ naar Schiphol, want mijn moeder komt logeren.
- 9. Ik zie het, u __________ moeilijk. Hoe lang heeft u dat al?
- 11. Nou, dan moet je maar iemand zoeken die een __________ met je wil ruilen.
Down
- 1. Goedemorgen mevrouw Verbiest, gaat u zitten , wat is er aan de __________?
- 3. Ja maar jij hebt niet zo'n pijn in je __________.
- 4. Dag dokter . Ja, ik heb zo'n __________ van mijn rug.
- 6. Daar heb ik niet veel last meer van, ik ga twee keer per __________ naar de sportschool.
- 8. Nee, want die werkt op maandag, ze geeft __________ op de basisschool. Ze kan niet zomaar weg.
- 10. Hoe __________ het eigenlijk met de pijn in je rug?
- 12. Wat goed, dat je dat doet, __________ wil het wel, maar doe het niet.
