H1 p 1/2/3

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142
Across
  1. 3. – Door de wind opgewaaide zandheuvel.
  2. 7. – Sedimenten die door verwering los zijn gekomen.
  3. 9. – Afgeronde steentjes, die meestal door verwering van gesteente ontstaan en daarna
  4. 10. – Hoogteverschillen in het landschap.
  5. 11. – Door mensen gemaakte verhoging als bescherming tegen het zeewater.
  6. 13. – Het neerleggen van materiaal als de transportsnelheid van water, wind of ijs
  7. 14. – Heuvel die door landijs ontstaan is.
  8. 16. – De kleinste korreltjes sediment die alleen met een microscoop te zien zijn.
  9. 18. door zuurstof, zuren en vocht.
  10. 19. gebergte – Een middelgebergte of heuvelland met weinig reliëf.
  11. 20. – Grote en zware rotsblokken die door het ijs vervoerd zijn.
  12. 21. – Nieuw land in zee dat ontstaat door sedimentatie waar een rivier in zee mondt.
  13. 22. verwering – Verwering waarbij gesteente verbrokkelt zonder dat de
  14. 26. – Vlak gebied met een hoogteligging onder de 500 meter.
  15. 27. verwering – Verwering waarbij de samenstelling verandert als gevolg van de
  16. 28. – Middelste deel van de rivier, tussen de bovenen benedenloop.
  17. 29. –Sediment dat grover is dan klei en fijner is dan grind, je kunt de korreltjes nog met het
  18. 33. – Het begin van de rivier, oftewel het bovenste deel dat meestal in de bergen
  19. 36. – Het uiteenvallen van hard gesteente onder invloed van het weer en de werking
  20. 37. – Stuk zee langs de kust dat regelmatig droogvalt.
  21. 38. – Stuk land, omgeven door dijken, waar de waterstand geregeld kan worden.
  22. 39. – Langgerekte verhoging om water tegen te houden.
  23. 40. – In dit landschap merk je niets van mensen en het is bijna niet ingericht.
  24. 41. oog zien.
  25. 42. 2 vmbo-th – Hoofdstuk 1 Landschappen © Noordhoff Uitgevers 2019
Down
  1. 1. – De onbegroeide delen van de waddenzee die twee keer per dag droogvallen.
  2. 2. – Een gebied met een hoogte van 1500 meter of meer boven zeeniveau.
  3. 4. – Grond die bestaat uit al of niet vergane plantenresten.
  4. 5. kant – Gebied buiten de dijk dat niet beschermd wordt tegen water.
  5. 6. over het leven van vroeger.
  6. 8. vondsten – Opgegraven voorwerpen van mensen of dieren die iets
  7. 12. – Een aaneengesloten stuk ijs op een groot landoppervlak.
  8. 14. – Een dal ontstaat doordat smeltwater van de ijstong een stuk stuwwal
  9. 15. – Een opeenhoping van stenen die door een aardverschuiving naar beneden is
  10. 17. – IJsmassa in het hooggebergte die langzaam naar beneden schuift.
  11. 23. – Gesteente dat is ontstaan door het neerleggen van materiaal door water, wind of
  12. 24. verandert.
  13. 25. planten.
  14. 30. – Het uitschuren van materiaal door water, wind en ijs.
  15. 31. gebergte – Een hooggebergte met veel reliëf.
  16. 32. de rivier verplaatst worden.
  17. 34. landschap – Het landschap is door mensen ingericht met huizen, wegen enz.
  18. 35. – Laagste deel van een rivier, net voordat zij in zee stroomt.